Juiste looptechniek

Inleiding

Over de "beste" looptechniek is al veel gezegd en geschreven. Hieronder enige informatie.

Mijn eigen idee is dat iedereen efficient kan hardlopen, maar dat soms die techniek wat ondergesneeuwd of vergeten en verwaarloosd is. Door bepaalde oefeningen en techniekloopjes kan je die herinnering weer nieuw leven inblazen en opeens tot een betere looptechniek komen.

Het hebben van voldoende conditie en kracht is volgens mij een belangrijke voorwaarde om tot betere looptechniek te komen. Als je benen erg slap zijn dan is het heel moeilijk om 'mooi' te lopen, of het is slechts mogelijk gedurende enkele meters. Maar als er meer spanning op de spieren zit en je gemakkelijk 30 minuten of meer kan lopen, dan slaan de techniekoefeningen veel beter aan.

Dus: regelmatig trainen, oefeningen geconcentreerd meedoen, er af en toe eens over nadenken, en alles komt goed.

Heel kort gezegd, is het het beste om te landen op de middenvoet (niet bewust op de hak landen, ook niet op de teen), en ongeveer 180 of iets meer stapjes per minuut te doen. Op deze manier rol je gemakkelijk door zonder dat je jezelf afremt en zonder dat er veel blessureveroorzakende krachten ontstaan.

Maar lees gerust verder...

Criteria voor een goede looptechniek

Het is van belang de kenmerkende fouten in de looptechniek te herkennen. Evenzeer
is het belangrijk te weten wat nu juist de criteria van een goede looptechniek zijn. Dat er verschillen tussen lopers bestaan, is evident. Iedere loper geeft een persoonlijke invulling aan het begrip looptechniek. Toch blijkt het moeilijk om aan te geven waarom de ene loper schijnbaar moeiteloos loopt en het de ander zichtbaar energie kost. De onderstaande criteria kunnen helpen bij het bepalen in hoeverre een techniek van lopen goed is.

Criterium 1: een kort grondcontact

Lopers met een goede looptechniek zijn langer in de lucht dan aan de grond. De steunfase duurt in verhouding tot de zweeffase kort. De landing en de daarop volgende afzet zijn te karakteriseren als een felle korte tik.

Criterium 2: een geringe bewegingsuitslag van de benen

Het bespaart energie om de bewegingsuitslag van de benen te beperken. Het voortdurend versnellen en vertragen van de benen is een energie verslindend proces. De loopbeweging wordt efficiënter door het standbeen niet te ver naar achteren te laten gaan en het zwaaibeen niet te hoog voor op te tillen.

Criterium 3: de romp rechtop

De heupen worden recht onder de schouders gehouden, waarbij de rug gestrekt is. Het steeds rechtop houden van de romp heeft vele positieve gevolgen voor de looptechniek, waaronder een beter gebruik van de buikspieren en het beperken van lengteasrotatie.

Criterium 4: de voet zo veel mogelijk in neutrale stand

De neutrale stand, een hoek in het enkelgewricht van 90 graden, wordt tijdens het lopen zo veel mogelijk gehandhaafd. Een belangrijk controlepunt is de stand van de voet net voor landing. De neutrale stand schept de voorwaarde voor een reactieve afzet. Ook op einde van de afzet zorgt een neutrale stand voor het snel los komen van de grond.

Criterium 5: een optimale armactie

De voorzwaai is kleiner dan de achterzwaai. Als controlepunt kan de positie van de elleboog worden gebruikt. Deze mag de romp niet passeren. De armactie naar achteren moet fel worden uitgevoerd en moet goed synchroon zijn met de scharende actie van de benen.

Criterium 6: een optimale verticale verplaatsing

De loper of loopster moet zich waarneembaar in verticale richting verplaatsing. De contacttijden moeten ondanks de verticale verplaatsing kort blijven. Zoals eerder vermeld, is de hoofdzakelijk verticaal gerichte afzet een korte felle tik. Bij lage snelheid is de verticale verplaatsing groter dan bij lopen op hoge snelheid.

Criterium 7: een snelle lineaire pendel van het zwaaibeen

Het achterste been moet na het moment van voet los lineair naar voren worden bewogen. De knie en heup van het achterste been buigen daarom tegelijkertijd. Het zwaaibeen fungeert op die manier als aanjager van het voorste been. Met behulp van video-opnamen kan de snelheid van de pendel van het zwaaibeen eenvoudig worden bepaald door het aantal beeldjes te tellen. Bij opnamesnelheid van 25 beeldjes per seconde moet de knie van het achterste been na voet los in 4 beeldjes voorbij de knie van het standbeen zijn (4 x 0,04 s = 0,16 s).



Kenmerken van een minder goede / efficiënte looptechniek

Het bij jezelf of anderen ontdekken van belangrijke tekortkomingen in de looptechniek
is geen gemakkelijke opgave. Het stelt hoge eisen aan je observatievermogen om de razendsnelle en complexe loopbeweging te kunnen beoordelen. Een kijkwijzer is hierbij een uitstekend hulpmiddel. Door slechts enkele aandachtspunten te kiezen uit de kijkwijzer ben je beter in staat om een juiste foutenanalyse te maken van de looptechniek. In deze kijkwijzer foutenanalyse worden vier aandachtspunten gegeven, die het opsporen van fouten vergemakkelijken:

Aandachtspunt 1: de pasfrequentie

Een te hoge pas frequentie duidt in de meeste gevallen op een te geringe verticale verplaatsing van het lichaam. Een drietal mogelijke oorzaken kan hieraan ten grondslag liggen:

a.        Na een zachte landing blijft de voet als het ware te lang plakken aan de grond. Kenmerkend bij de landing is dan dat er veel buiging plaats vindt in knie en enkel;

b.        De vrije bekkenhelft hangt tijdens de gehele steunfase af. Met andere woorden de bekkenhelft aan de kant van het zwaaibeen is voortdurend lager dan de bekkenhelft aan de kant van het standbeen. Als eerste controlepunt kan gelden dat de knie van het zwaaibeen steeds lager is dan de knie van het standbeen. Het tweede controlepunt is de schouder en heup aan de kant van het standbeen, zich tijdens de steunfase dichter bij elkaar bevinden dan aan de zijde van het zwaaibeen. Verder is kenmerkend dat de loper of loopster geforceerd nog enige verticale verplaatsing wil bewerkstelligen door de schouders op te trekken;

c.        Het zwaaibeen wordt erg weinig gebogen in de knie. Het pendelt vroeg uit en lijkt passief naar beneden te vallen.

Aandachtspunt 2: lengteasrotatie

Tijdens de steunfase komt de schouder aan de kant van het standbeen naar voren. Dit heeft als mogelijke oorzaken dat:

a.        de romp voorover wordt gehouden;

b.        er te nadrukkelijk wordt nagestrekt bij de afzet

Op video-opnamen van lopers met een duidelijke lengteasrotatie is de zool van de schoen van de voorste voet vlak voor voetplaatsing zichtbaar. Dit komt door de wringbeweging die moet worden gemaakt om de draaiing om de lengteas te niet te doen.

Aandachtspunt 3: een ronde achterpendel

De hiel van de voet beweegt na het loskomen van de grond eerst omhoog en dan pas naar voren. Er vindt in de meeste gevallen eerst een buiging in de knie plaats en daarna pas in de heup. Het geeft een beeld waarbij de benen voortdurend achter het lichaam lijken te bewegen. Een tweetal mogelijke oorzaken is hiervoor aan te wijzen:

a.        de tenen van de voet van het afzetbeen blijven te lang wijzen naar het afzetpunt. Er ontstaat als het ware een spitse voet;

b.        de romp wordt voorover gehouden.

Een controlepunt dat met behulp van video-opnamen vastgesteld kan worden is het moment dat het volledige lichaamsgewicht tijdens de landing op het standbeen rust. Bij een ronde achterpendel bevindt op dat moment de knie van het zwaaibeen zich nog achter de knie van het standbeen.

Aandachtspunt 4: een beperkte armactie

De loper beweegt de armen maar weinig op en neer. Vooral de armbeweging naar achteren wordt maar beperkt uitgevoerd. Het bovenlichaam lijkt niet mee te doen in de loopbeweging. Vaak blijkt dat het bekken voortdurend voorover gekanteld staat. Dit is het best te zien op videobeelden.